Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
Praedicatho homélies à temps et à contretemps
Homélies du dimanche, homilies, homilieën, homilias. "C'est par la folie de la prédication que Dieu a jugé bon de sauver ceux qui croient" 1 Co 1,21

#homilieen in het nederlands

ÉÉN VADER, TWEE ZONEN (Lc 15, 1-3.11-32)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
4 careme C - ev


    De parabel van de verloren zoon is ongetwijfeld één van de meest gekende en geliefde stukjes uit de Bijbel. De vraag is in welke mate deze parabel al dan niet aan de oppervlakte van ons christelijk bewustzijn blijft hangen.

    Ten eerste is deze parabel niet die "van de verloren zoon". "Een man had twee zonen": zo begint Jezus. Het is dus de parabel van de barmhartige vader en zijn twee zonen. Laten we a.u.b. niet doen alsof die tweede zoon niets heeft te maken met wat God ons te zeggen heeft.

    In haar geschriften vergelijkt Thérèse van Lisieux, bijvoorbeeld, zich meer dan eens en zeer concreet met de oudste zoon. Ze zegt onder meer dat Jezus voor haar geen feest hoeft in te richten, omdat zij altijd bij Hem is. Zij is zich ook gewoon realistisch bewust dat alles wat van Jezus is, ook aan haar toebehoort. De jaloersheid maakt dan ook plaats voor bezorgdheid ten opzichte van de zondaars.

    In welke van de twee zonen herken ik mij het meest? Het antwoord op deze vraag is belangrijk, want de twee zonen hebben twee verschillende roepingen. Allebei zijn ze geroepen tot heiligheid - die roeping is universeel - maar niet langs dezelfde wegen, niet op dezelfde wijze. Volgens Charles Péguy - hij schrijft dat in zijn werk over de goddelijke deugd van de hoop - zijn er twee soorten van heiligen (gelukkig, zo zegt hij, komen ze goed overeen!...) : het eerste soort bestaat uit heiligen die voortkomen van tussen de zondaars; het tweede soort wordt genomen tussen de rechtvaardigen. Onmogelijk te zeggen welke de grootste heiligen zijn. Het zijn allemaal heiligen van God. Het verschil ligt in de hoop: de enen zijn praktisch "hopeloze gevallen" geweest. De anderen hebben nooit veel zorgen gebaard. Ouders van "kroostrijke" gezinnen zullen wel begrijpen wat Péguy hiermee bedoelt...

    Een "ekonomische" vergelijking maken is misschien verhelderend. Ekonomisch gezien zijn er twee soorten van mensen: armen en rijken. Gezien vanuit het standpunt van Gods wijsheid kunnen we stellen dat de rijken er zijn voor de armen. Wie rijk is kan de armen te hulp komen. Maar de armen zijn er ook voor de rijken! Want voor de rijken, zegt Jezus, is het bijna onmogelijk het Rijk der Hemelen binnen te treden. De armen brengen de rijken ertoe in staat door het oog van de naald te kruipen. Armen en rijken zouden dus perfect met elkaar moeten overeen komen.

    Zo vergaat het ook de heiligen. Er zijn rijke en er zijn arme heiligen. Er zijn heiligen die aan het firmament schitteren met hun talrijke en ontzagwekkende deugden. Er zijn ook andere die hun leven lang blijkbaar hopeloos hebben geworsteld met hun ondeugden, zonder ogenschijnlijk ook maar een tikkeltje vooruitgang te maken. Onmogelijk te zeggen wie de grootste heiligen zijn. Wat zeker is, is dat die twee soorten heiligen goed overeen komen.

    Stellen dat de "arme heiligen" meer behoefte gehad hebben dan de "rijke" aan de barmhartigheid van de Heer zou een vergissing zijn. Thérèse van Lisieux zegt juist het tegenovergestelde. Onze-Lieve-Vrouw is meer verschuldigd aan de barmhartigheid van God dan wel Maria Magdalena, Sint Jozef meer dan de "goede moordenaar", niet omdat God hen meer zonden heeft vergeven, maar omdat de barmartigheid van God hen heeft gevrijwaard van grote zonden. Vrijwaring van zonden is een grotere genade dan vergiffenis van zonden. Het gevaar - het is een regelrechte bekoring - met vrijwaring van zonden is dat de "gevrijwaarde" zondaar zich makkelijk gaat inbeelden dat zijn zondeloosheid zou te danken zijn aan zijn superioriteit. In dat geval gaat de "gevrijwaarde" zondaar de "vergeven" zondaar met misprijzen bezien, terwijl hij opstandig wordt zodra hij merkt hoe zijn vader zijn mispunt van een broer behandelt als die hakkeloos terugkeert van zijn fratsen.

    Het lot van de verloren zoon is natuurlijk ook niet zonder risico. Niet iedere veloren zoon komt tot "inkeer". En de "terugkeer" is nog een ander paar mouwen. Niet iedere zondaar die tot inkeer komt, kan het opbrengen naar de vader terug te keren. Die strijd is ook niet op voorhand gestreden.

    Er was een tijd dat algemeen door christenen werd aangenomen dat er slechts weinige mensen gered worden. Die tijd heeft toch wel achttien eeuwen geduurd. Zelfs de Kerkvaders (van het Westen zowel als van het Oosten) en heilige theologen van de Middeleeuwen leerden dat zonder meer. Sinds de negentiende eeuw is er in de Latijnse Kerk een evolutie merkbaar, zo merkbaar dat de grote meerderheid van de christenen vandaag ervan overtuigd zijn dat de hel een uitvindsel zou zijn van de Middeleeuwen, volkomen in tegenstrijd met het Evangelie!

    Is dat een vooruitgang? Niet zo zeker. Persoonlijk twijfel ik er niet aan dat velen gered zijn, en dat er in de hemel veel volk is ("een grote menigte" zegt de Apokalyps). Maar ik twijfel wel aan het feit dat die zekerheid voldoende zou zijn om persoonlijk gered te worden. Thérèse van Lisieux schrijft: "C'est la confiance, et rien que la confiance, qui doit nous mener à l'Amour..." (Vertrouwen, en alleen vertrouwen, leidt ons naar de Liefde.) Het moeilijke ligt hem niet in "vertrouwen", maar wel in "alleen vertrouwen". Ons vertrouwen is dikwijls niet "alleen vertrouwen" op Gods barmhartigheid. Wij vertrouwen meestal ook op onze persoonlijke deugden en goede werken. Wij vertrouwen ook op de speculering, waarvan ik zoeven sprak, dat er in ieder geval niet veel mensen verdoemd worden.

    Wat heeft dat nog met vertrouwen te maken? Dat is geen vertrouwen, wel berekening! En berekening leidt niet tot de Liefde. Integendeel: berekening verwijdert van de Liefde. Nee! Nee! Duizendmaal nee! Louter en alleen vertrouwen op de barmhartigheid van de Vader, en niet op onze reële of denkbeeldige deugden, of op onze koude berekeningen, is niet iets waar we van moeten denken dat we er al lang mee klaar zijn. De Heilige Geest heeft nog veel werk met mij...

De misprezen naastenliefde van de profeet (Lc 4, 21-30)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
4 TOC ev
    De dag na het feest van de bekering van Paulus hebben we Titus en Timotheus herdacht. Het is aan Timotheus dat Paulus de brief schrijft waaraan uw favoriete blog zijn naam ontleent: Homilieën, gelegen of ongelegen:
verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. (...)Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle. (2 Tm 4, 2.5; cf. Keervers van het Magnificat van 26 januari)

    Dit is wat men zou kunnen noemen de naastenliefde van de profeet, of de naastenliefde van de orthodoxie.
Er komt een tijd dat de mensen de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, (...) zij zullen hun oor van de waarheid afkeren en zich naar de verdichtsels keren. (v. 3a...4)

    Wie anders dan Jezus heeft de raad van Paulus in de praktijk omgezet? Was hij niet de eerste van de predikers? Met deze term doe ik u misschien denken aan de beruchte Amerikaanse televisie-evangelisten die hele zalen doen vollopen en waarbij de mensen op een gemakkelijke stoel plaatsnemen. Hun diensten worden trouwens voor veel geld doorverkocht aan televisiestations, niet enkel in de Verenigde Staten maar ook in de rest van de wereld.

    Welnu, Lucas schildert ons het beeld van Jezus in de synagoge van Nazareth waar de mensen zijn boodschap niet willen horen. Toch stelt hij hem ons voor als het model van de predikers: een "misbegrepen prediker".  Deze manier van doen is des te meer ontstellend omdat het hier niet gaat om één enkele episode, een soort uitzondering op de regel. Het is een episode die een heel programma is.

    Het doel zelf van het derde Evangelie is een soort handleiding te geven voor de perfecte prediker. Dat werd gesuggereerd in een doctoraatsthesis van een Amerikaans student aan het Pauselijk Bijbelinstituut, die aantoonde dat alle karakteristieke passages van Lucas waarschijnlijk gebaseerd zijn op de groep predikers die heel Israël en Syrië doorkruisten (cf. homelie van vorige zondag: de ontstaansgeschiedenis van de evangelies), en waarvan Lucas bijna zeker deel uitmaakte. Daarom schreef Lucas bij zijn Evangelie ook de Handelingen, om een reeks voorbeelden te geven van evangeliepredikingen in navolging van Jezus in de primitieve Kerk.

    Van in het begin, en niet enkel aan het einde van hun leven, werden deze jonge predikers vervolgd: eerst door de Joden, later door de Romeinen. En toch schrijft Paulus, die hiervan wel wat afwist:  "Er komt een tijd...". Hij ziet dus een toekomst die zich onderscheidt van het heden en van het verleden. Dat zet toch aan tot nadenken...

    En hoe gaat het vandaag? Nog nooit werd de Kerk zo erg vervolgd. Op geen enkel ander moment in de geschiedenis van de Kerk stootte de Blijde Boodschap op zoveel tegenstand. Nog nooit waren er zoveel martelaren die hun bloed vergieten voor het Evangelie. Maar in de zogezegd "vrije" landen is deze tegenstand heimelijker. Zo zet men bijvoorbeeld vrijwillig, uitdrukkelijk of impliciet, bewust of onbewust, de orthodoxie (de juiste leer) op tegen de orthopraxie (het juist handelen), door het eerste te onderwaarderen en het tweede te overwaarderen. Benedictus XVI merkte volkomen terecht op dat

diegene die de juiste leer volgt, een rechtlijnig hart lijkt te hebben, onbuigzaam lijkt te zijn, mogelijk onverdraagzaam. Alles zou afhangen van het juiste handelen, terwijl er altijd kan worden gesproken over de leer. Alleen de vruchten die de leer voortbrengt, zouden belangrijk zijn, terwijl de wegen waarlangs het juiste handelen wordt bereikt, van geen tel zijn.

    Voltaire zei al dat God niet bestaat, maar dat dit niet te vaak mag worden gezegd, want religie kan helpen om de orde in de samenleving te bewaren. Hij onthield dus uit het geloof enkel wat nuttig was: de christelijke waarden, zoals ze vandaag worden genoemd. Dat leidde uiteindelijk tot een atheïstisch humanisme, een naastenliefde zonder God en uiteindelijk tegen God. Dat heeft geleid tot het marxisme, maar ook het praktische atheïsme. Naar aanleiding van het overlijden van Abbé Pierre, de heisa van de media en de publieke opinie rond zijn persoon en zijn werk, ben ik beginnen na te denken. Op de dag van zijn overlijden zelf postte ik een artikel hierover waarin ik schreef:

We hebben net gehoord dat Abbé Pierre is overleden, een man die door de Fransen wordt vereerd als de meest geachte persoon in Frankrijk, na Zinédine Zidane (toch een eer!). Wat een prestatie voor een katholieke priester! Zijn publiek was aanzienlijk groter dan dt van eender welke Franse bisschop - zelfs kardinaal. Zijn inzet voor de minst bedeelden is onweerlegbaar. Ondanks en vooral dankzij het feit dat hij priester is ("is" omdat hij het zal blijven tot in de eeuwigheid), is zijn roem toch fel omstreden.

    Ik ging verder met de standpunten van Abbé Pierre voor homo-ouderschap (maar niet voor homoseksualiteit!), voorbehoedsmiddelen, priesterhuwelijken, priesterwijding van vrouwen, maar tegen de verplichting van de zondagseucharistie, tegen de dogma's van de Onbevlekte Ontvangenis en de Tenhemelopneming van de Maagd Maria, tegen de Heilige Vader en de manier waarop hij de Kerk leidt. Dat alles in naam van de naastenliefde. "Een streng oordeel" zeiden sommigen. Niet zo streng als het zijne, antwoordde ik. Een "ongelegen" oordeel, dat wel. Omdat ik nauwelijks iets anders hoorde dan de lofzangen op Abbé Pierre. Pas op het einde van de week hoorde ik een mening die in dezelfde lijn lag als de mijne:

Een trend naar de deconfessionalisering heeft het werk zelf van Abbé Pierre niet gespaard. Zonder hierover een definitief oordeel te willen vellen, wil ik op het moment van de verdwijning van de moderne apostel van naastenliefde wel benadrukken dat de menslievendheid, hoe achtenswaardig die ook is, niet noodzakelijk de ultieme maatregel van de mens is en, wat er ook van zij, de toekomst zal de meest bepalende betekenis van de eminente waardigheid van de armen nog steeds putten uit de Openbaring, aangezien die nauw verbonden is met de naastenliefde van een levende God. (Gérard Leclerc)

    Bepaalde christenen in Frankrijk, die erg nauw betrokken zijn bij de verkondiging van het Evangelie en die zichzelf min of meer afgezonderd voelden, zijn blij met de populariteit van Abbé Pierre en betreuren de toon van mijn artikel. Iemand mailde me het volgende:
Tegenwoordig is het in de mode om in de media het katholicisme zwaar af te breken, de minste aanleiding volstaat hiervoor. Voor één keer dat we eens een katholieke (media-)figuur hebben die het goed doet in de pers...

    Dat is waar: de Kerk doet het niet goed in de pers. Wanneer de media dan een uitzondering lijken te maken voor een figuur die zij "charismatisch" noemen, dan is het verleidelijk om mee op die wagen te springen. Is men dan echter niet het slachtoffer van de nostalgie naar een zeker triomfalisme, ondanks datgene wat Jezus ons tracht te leren?
Wee u, wanneer alle mensen wèl van u spreken; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met valse profeten gehandeld. (Lc 6, 26)

    En in het Evangelie van vandaag:

Geen profeet is aangenaam in zijn vaderstad.

    Jezus is hierin categoriek: GEEN. Wat is dat moeilijk te aanvaarden! Voor de inwoners van Nazareth was het moeilijk te aanvaarden dat het heil niet enkel voor hen was, maar ook voor "de meerderheid", ook voor de heidenen. Voor ons is het moeilijk te aanvaarden dat het heil voor de meerderheid slechts wordt ontvangen door de minderheid. De inwoners van Nazareth hadden liever het alleenrecht op Jezus gehad. Wij zouden willen dat de hele wereld applaudisseert voor zijn doortocht. De minderheid is nooit in de mode, want de mode, dat is gewoon doen (en zijn) "zoals iedereen". Ah! zo plotseling, als door ik weet niet welk wonder, begint de massa nu te schreeuwen: "Gezegend hij die komt in de naam des Heren", in plaats van: "Kruisig hem, kruisig hem"... Als de media nu ook eens van de ene op de andere dag een loflied zouden inzetten voor de katholieke Kerk, zoals ze dat hebben gedaan voor Abbé Pierre. Het is niet verboden dat te hopen en ervoor te bidden. Maar het valt nog te bezien of hun "Gezegend hij die komt" wordt geïnspireerd door het onthaal van de redding van de zondaar of door de winstberekening door de consument. Want, het is algemeen geweten: religie verkoopt,... net als bloot.

    Kardinaal Newman schreef:

De hele inhoud van de Heilige Geschriften laat ons immers geloven dat zijn waarheid (= die van Christus) niet zal kunnen rekenen op een warm onthaal van veel mensen, want ze druist in tegen de publieke opinie en de gemeenschappelijke gevoelens in de wereld; waar ze zal worden ontvangen door een mens, zal ze worden geweigerd door wat er in hem overblijft van zijn oude natuur, net zoals ze werd geweigerd door alle andere mensen die haar niet hebben ontvangen. "Het licht scheen in de duisternis" (Joh 1, 5) is het teken van het ware geloof.

    Het laatste deel van dit citaat herinnert ons eraan dat het in de eerste plaats om ons zelf gaat. Jezus wordt voortdurend in de minderheid gezet, niet alleen door de mensen, maar ook door de minderheid van diegenen die "de volgelingen" worden genoemd, en door de "oude man" in ieder van ons. Daarom moeten we terughoudend zijn als het gaat om zowel onze eigen geestdrift voor Jezus (welke Jezus: die uit onze dromen, of die "die is, was en zal zijn"?) als het vluchtige enthousiasme van de grote massa. Ik citeer Newman nog eenmaal:

Zelfs als er, ongetwijfeld, periodes zijn waarin een plots enthousiasme opwelt voor de waarheid, duurt een dergelijke populariteit nooit lang: ze komt plots op en verdwijnt weer even snel, ze kent geen regelmatige of duurzame groei. Enkel de dwaling neemt toe en wordt door velen met open armen onthaald... Inderdaad, de waarheid draagt in zich een kracht om de mens te verplichten haar te verkondigen; maar wanneer die zich klaarmaakt om te handelen, in plaats van de waarheid te gehoorzamen, vervangt hij ze door een of ander zinnebeeld.

Bijgevolg zal in een land, waar er veel over religie wordt gesproken, waar iedereen wordt gefeliciteerd met wat iedereen doet, een redelijke wijze geest zich afvragen of men niet bezig is met het vereren van een vervanger; of het niet de illusies zijn van de mens, en niet die van de waarheid van het Woord van God, die aanleiding geven tot een dergelijke populariteit; of de onthaalde vorm niet alleen waarheid in zich draagt wanneer ze kan worden aanvaard door de rede en het bewustzijn; kortom: of het niet Satan is die zich heeft vermomd in een engel van licht, en niet het Licht zelf, die zoveel volgelingen maakt.

    Is het verwonderlijk dat ook Newman zelf een profeet was waarvan de naastenliefde werd misprezen? In ieder geval werd Jezus, die is gekomen om een huis te geven aan de daklozen (het huis van de Heer), brood voor wie honger heeft (het brood van het Woord, van de Eucharistie en de wil van de Vader), vrijheid voor alle gevangenen die wij zijn (innerlijke vrijdheid van de kinderen van God), die Jezus werd door de zijnen tot aan de rand van de berg, waarop hun stad gebouwd was, gevoerd, om Hem van de steilte te storten. Die Jezus wordt door vele exegeten teruggevoerd op de Christus van het geloof, een puur vrome uitvinding.

    "Aan het einde van ons leven zullen we worden beoordeeld op de liefde" (Heilige Johannes van het Kruis), wordt graag herhaald. Maar om welke liefde gaat het hier? Zeker niet om een liefde zonder Jezus, of om een liefde tegen de Kerk. (Waarom verweet een bisschop, die zelf gekend staat voor zijn "non-conformistische" houding, het de Kerk dat ze Abbé Pierre wilde "terugkrijgen" bij zijn overlijden?) Naastenliefde zijn we in de eerste plaats verschuldigd aan de armen die Jezus en de Kerk zijn. Alles wat we ondernemen tegen Hem en tegen de Kerk, ondernemen we ook tegen de naastenliefde. Alles wat we ondernemen in de naam van de "naastenliefde" zonder Jezus en zonder de Kerk, is gedoemd om te verdwijnen, in de eerste plaats het geloof en de hoop.

    In de antieke Kerk, merkte Benedictus XVI op, betekende orthodoxie "helemaal niet de juiste leer, maar echte verering en verheerlijking van God." en hij gaat voort:

Men was ervan overtuigd dat alles afhing van juist en eerlijk te zijn in zijn relatie met God, van Hem die goed doet, te kennen en te weten hoe we hem op een juiste manier kunnen antwoorden. Daarom leefde Israël de wet na; het land deed wat de wil van God was; het land leefde rechtvaardig en toonde hoe God op een juiste manier kon worden vereerd: door zijn wil te doen geschieden, die orde brengt in de wereld, door haar open te stellen voor transcendentie. Het ging om de nieuwe vreugde van de christenen die dankzij Christus eindelijk wisten hoe God moet worden verheerlijkt en hoe, precies op die manier, de wereld rechtvaardig kan worden. In de Heilige Nacht hadden de engelen verkondigd dat beide zaken hand in hand gingen: "Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan alle mensen van goede wil", waren hun woorden (Lc 2, 14). De eer aan God en de vrede op aarde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Waar God wordt uitgesloten, daar brokkelt de vrede op aarde af, en geen enkele orthopraxie zonder God kan ons dan redden.

    Bij het horen van de woorden van het Evangelie van vandaag, net na die van Paulus in zijn loflied op de naastenliefde, kunnen we niet anders dan ons de vraag stellen: waarom is de Liefde niet geliefd (Franciscus van Assisi)? Dat is noodgedwongen zo omdat alles wat gebeurt in de naam van de liefde, geen liefde is, maar het zinnebeeld van de liefde. Dat is noodgedwongen zo omdat alles wat gebeurt in de naam van de liefde, niet wordt herkend als liefde.

    Een andere vraag waaraan we niet kunnen ontsnappen is de volgende: waarom is de Liefde zo moeilijk lief te hebben, waarom zijn er zo weinigen die haar liefhebben en vooral: waarom hebben we onszelf zo weinig lief? Is dat niet omdat we het moeilijk hebben om toe te geven dat we in de naam zelf van de liefde diegene die de enige is die ons de poorten van het Huis van de Heer kan openstellen, aan de deur zetten en van de steilte storten? De Blijde Boodschap zegt het volgende:

Wat betekent dan dit, dat er geschreven is: de steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden? (Lc 20, 17)

Een betrouwbaar evangelie voor een onderbouwde catechese - Homilie 3de zondag door het jaar C

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
3 TOC ev
    In mijn homilie van vorige zondag gingen we dieper in op de bruiloft van Kana en had ik het over de historische en symbolische betekenis van het evangelie van Johannes. Vandaag geeft Lucas in de proloog van zijn Evangelie blijk van dezelfde zorg om historische waarde, zoals hij nog eens herhaalt aan het begin van de Handelingen der Apostelen (Hand. 1, 1):
Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Theófilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren...

    Johannes schrijft hetzelfde (1 Joh 1, 1-3):
Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens - het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is - hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u...

    Ons christelijke geloof is gebaseerd op historische feiten en niet op fabels, of op mythen, het is gebaseerd op de Geschiedenis, en niet op verhaaltjes!
Het Woord is vlees geworden, en het heeft onder ons gewoond (Joh 1, 14).

    Het verschil tussen Johannes en Lucas is dat Johannes ooggetuige is geweest. Lucas was dat niet, maar hij heeft zich "zorgvuldig geïnformeerd over alles wat was in het begin" bij diegenen "die sinds het begin ooggetuigen waren en de dienaars van het Woord zijn geworden", zodat iedereen zich "bewust kan worden van de gegrondheid van de leer". Ook Mattheüs was een ooggetuige, terwijl het Evangelie volgens Marcus de weerklank is van de verkondigingen van Petrus.

    We moeten de historische waarde van de Evangelies van Lucas en de drie andere evangelisten benadrukken, omdat de gegrondheid van ons geloof ervan afhangt. Vandaag de dag heerst er een trend om "Jezus van het geloof" tegenover "Jezus van de geschiedenis" te zetten. De "Jezus van het geloof" zou bijna niets te maken hebben met de "Jezus van de geschiedenis", van wie wordt beweerd dat er niet veel over bekend is. De "Jezus van het geloof" op zijn beurt zou dan weer niets te maken hebben met wetenschap en hij zou bijgevolg niet geloofwaardig zijn, wordt gezegd.

    Dit is een gevaarlijke tegenstelling, want ze leidt tot de afbrokkeling van het christelijke geloof. Volgens een peiling is de helft van de Fransen ervan overtuigd dat het bestaan zelf van Jezus twijfelachtig is, terwijl zijn bestaan een van de meest beschreven is. Er is geen enkele andere persoon uit de Oudheid waarover zoveel documentatie bestaat. En toch wordt getwijfeld aan het bestaan van Jezus, terwijl niemand er nog maar aan zou dénken om het bestaan van Julius Cesar te betwisten. Dit feit stemt tot nadenken maar is er niet zomaar gekomen. Het is het resultaat van veelvuldige pogingen om het geloof af te kraken, met de ene bestseller na de andere en dit al sinds het einde van de 18e eeuw tot op de dag van vandaag. Denken we maar aan de "Da Vinci Code"...
 
    Het toppunt is wanneer het geloof van de gelovigen op sleeptouw wordt genomen door de kritiek van de ongelovigen, alsof voor de beoordeling van de artistieke waarde van een schilderij of een muziekstuk geen beroep wordt gedaan op experts, maar op blinden en doven. De Evangelies werden geschreven door gelovigen voor gelovigen, en er is een minimum aan geloof nodig om ze te begrijpen.
Verdenkingen komen en gaan. Het Evangelie blijft. (R. Laurentin)

    Vandaag zijn de woorden aan het begin van het Evangelie van Lucas belangrijker dan ooit. Als we ze vergeten of negeren, steunt ons christelijke geloof niet meer op gegronde feiten en brokkelt het vroeg of laat af.
Het is inderdaad van het allergrootste belang: onze godsdienst is niet zomaar een "ideologie", een steevast betwistbare systematisering van mooie ideeën; aan de grondslag van onze godsdienst liggen feiten, verrassende feiten, maar wel naar behoren vastgestelde en gedocumenteerde feiten - het hele verdere verloop van de Evangelies toont dat aan - het gaat over het leven, de dood en de verrijzenis van Christus. En het hele "christondom" doet nooit anders dan er de gevolgen van beleven. (A. Feuillet)

    Om dit te begrijpen is het goed om precies te weten hoe de Evangelies tot ons zijn gekomen.    

1. Het beginpunt is Jezus, de feiten van zijn leven. Het gaat hier niet om een ideologie, maar om geschiedkundige gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen speelden zich af "onder ons". Lucas maakte dan wel geen deel uit van de entourage van Jezus, maar op het moment waarop hij zijn Proloog schreef, waren er wel nog leerlingen in leven.    

2. Dan zijn er de getuigenissen van de apostelen. Van deze gebeurtenissen waren de Apostelen "ooggetuigen", geen vluchtige of tijdelijke, maar "sinds het begin", dat wil zeggen vanaf het Doopsel tot aan de Verrijzenis.    

3. Door dit eigenste feit zijn zij die gezien hebben, met Pinksteren "dienaars van het Woord" geworden. Dit is de overgang van "zien" naar "zeggen". Er is niets logischer dan deze overgang, aangezien de Jezus die zij hebben gezien, het vleesgeworden Woord is. Daarom ook zegt Origenus:
In de Exodus stond geschreven: "Het volk zag de stem van God". Zeker, de stem wordt gehoord vóór ze wordt gezien; maar dit werd geschreven om ons te tonen dat we andere ogen nodig hebben om de stem van God te zien; en zij die deze ogen hebben, zullen de stem zien. In het Evangelie van Lucas is het niet meer de stem die wordt gezien, maar het Woord: "zij die hebben gezien, werden dienaars van het Woord." En het Woord is meer dan alleen de stem. De Apostelen hebben dus het Woord gezien: niet omdat ze het lichaam van de Verlossende Heer met eigen ogen hebben gezien, maar omdat ze het Woord hebben gezien. Als het enkel draaide om de materie, zou Pilatus het Woord hebben gezien, en Judas, en al diegenen die riepen: "Kruisig hem!". De Verlosser zelf legt uit wat dat betekent, het Woord van God zien: "Hij die mij ziet, ziet ook de Vader die mij heeft gezonden."

4.Daar de christelijke Traditie door dit Woord van de Apostelen onlosmakelijk verbonden is met het Woord van Christus zelf, is het haar rol om wat ze heeft vernomen van de ooggetuigen "over te brengen". En het eerste werk in deze zin is "erover te schrijven... in een uiteenzetting".  Ook hier niets dan logica, aangezien het onderwerp van dit werk de gebeurtenissen zijn uit het leven en de dood van Jezus. De "toegevoegde waarde", als we dat zo mogen zeggen, is de "compositie", een zoektocht naar eenheid tussen verschillende fragmenten, wat volgens Lucas al velen vóór hem hadden gedaan.    

5. Deze Traditie van het Woord van God, dat vlees geworden is in Jezus Christus en dat herhaald werd door de Apostelen, vindt zijn definitieve "com-positie" in het werk van de vier Evangelisten. Lucas vertrouwt ons toe hoe hij tewerk ging: zijn methode steunde op "zorgvuldige" informatie ("acribôs", waarvan wetenschappers het woord "acribie" hebben afgeleid, wat betekent "uiterste nauwkeurigheid"!), "over alles", dus zo uitvoerig mogelijk, "sinds het begin", dus zijn kindertijd, nog voor zijn Doopsel. Hiervoor putte Lucas uit verschillende bronnen, niet enkel de "uiteenzettingen" die anderen vóór hem hadden opgesteld, maar ook "ooggetuigenverslagen" van de "dienaars van het Woord" die hij heeft kunnen ontmoeten, zonder te vergeten de Maagd Maria en de andere familieleden van Jezus. Dat alles "voor u, hoogedele Theófilus", dat wil zeggen voor alle volgelingen van Jezus die nog zullen volgen, zodat wij ons bewust worden van de gegrondheid van de gegeven leer (van de catechese - het Griekse woord dat Lucas gebruikt).

    Wat ik u vertel, werd bevestigd door honderdvijftig jaren van grondige bijbelverklaring over het ontstaan van de Evangelies. We moeten dus onze stem laten horen, tegen alles in, en de authenticiteit van deze geschriften, die zo belangrijk zijn voor ons geloof, verdedigen!

Maar het meest overtuigende argument voor de historische waarde van de Evangelies is toch de ervaring die wij er zelf uit putten, iedere keer dat we diep worden geraakt door een woord van Christus. Welk ander woord, oud of nieuw, heeft dat ooit gekund? (R. Cantalamessa)

Openbaring in Kana (Joh. 2, 1-12) - Tweede zondag door het jaar C

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
2 TOC ev
 
  Na de plechtige openbaring van de Heer en het feest van zijn Doopsel hoorden we op deze tweede zondag door het kalenderjaar (eigenlijk de eerste zondag) het verhaal van de Bruiloft van Kana uit het Evangelie van de heilige Johannes. Hij is de enige die vertelt over deze gebeurtenis als eerste van de wonderen van Jezus.  In deze liturgische context gaan we proberen om kort na te denken over dit mysterie, dat enkele jaren geleden het tweede mysterie van de rozenkrans is geworden.    

    Er bestaat immers een overeenkomst tussen deze drie mysteries : de Openbaring, het Doopsel en de Bruiloft van Kana. Welke overeenkomst ? De keervers van de lofzang van Zacharias in het Getijdengebed van de Lauden van de Openbaring zet ons op het juiste spoor:
 
Vandaag wordt de Kerk verenigd met haar Gemaal : Christus, in de Jordaan, reinigt haar van haar zonden, de wijzen brengen geschenken naar de koninklijke bruiloft, het water wordt in wijn veranderd, tot vreugde van de feestgangers, halleluja.

    Het is opmerkelijk hoe beknopt en veelzeggend dit is ! Alles wordt verteld in weinig woorden. Moeilijk om beter te doen. De keervers van de lofzang van Maria (het Magnificat) in de dienst van de Vespers zegt hetzelfde maar op een iets andere manier :
 
We vieren vandaag drie mysteries : vandaag leidde de ster de wijzen naar de kribbe ; vandaag werd water in wijn veranderd op de bruiloft van Kana ; vandaag werd Christus gedoopt door Johannes in de Jordaan om ons te redden, halleluja.

    Openbaring, Doopsel, Bruiloft van Kana : deze drie gebeurtenissen vinden vanzelfsprekend op verschillende tijdstippen plaats (en op verschillende plaatsen). Toch is er een realiteit (en ik leg de nadruk op ‘realiteit’) die het mogelijk maakt om voor alle drie het woord ‘vandaag’ te gebruiken, alsof ze op één en dezelfde dag plaatsvinden. Deze realiteit is geen feit, want het gaat wel degelijk over drie verschillende feiten. Wat is die realiteit dan wel ? De realiteit zit ‘m in de betekenis van deze feiten, in hun symboliek.
 
    Maar let op! Tegenwoordig wordt onder ‘symbool’ of ‘symboliek’ altijd ‘fictie’ of ‘fictief’ verstaan, een beetje als wanneer men zegt dat iemand een grond voor een goed doel heeft afgestaan voor een ‘symbolische’ euro. Het symbool, in de ware betekenis van het woord, is geen fictie.

    Het symbool is realiteit. Het is zelfs reëler dan een simpel feit, omdat het de diepe werkelijkheid uitdrukt en omdat alleen het symbool deze diepe werkelijkheid kan uitdrukken. Het wetenschappelijke taalgebruik waaraan we gewend zijn (het is een bijna een verslaving...) slaagt er niet in om alles uit te drukken. Probeer maar eens in wetenschappelijke taal uit te drukken wat een jongeman en een jong meisje voelen wanneer ze verliefd worden op elkaar. Wat uw wetenschappelijke bekwaamheden ook zijn, deze twee jonge mensen zullen onvermijdelijk op hun honger blijven zitten wanneer ze u op deze manier horen beschrijven wat er tussen hen en in hen gebeurt, alsof u van een andere planeet kwam. Maar probeert u het als de grote dichters, dan zullen de twee geliefden naar de dichtst bijzijnde bibliotheek hollen om uw gedichtenbundel te kopen en u te vragen die aan hen op te dragen.    

    U zult zeggen :    

- Ja, maar de schrijver van het vierde evangelie is een dichter die erin is geslaagd om in beeldende taal een diepe realiteit uit te drukken. Akkoord... maar de feiten waarover hij vertelt, zijn geen historische feiten.

    Dat klopt, een getalenteerde dichter kan vertellen over een ingebeeld liefdesverhaal alsof het een waargebeurd verhaal was, met een grote geloofwaardigheid, omdat hij datgene wat andere personen, in andere tijden en op andere plaatsen hebben kunnen meemaken, kan overbrengen naar een ander kader.       

    Zo schreef een schrijver (J. Potin, Jésus, 1995) over de Bruiloft van Kana:
Voor Johannes zijn de wonderen geen machtsvertoon, zoals bij de synoptische evangeliën, maar tekenen, of anders gezegd : symbolen (...). Het symbool loopt gelijk met de realiteit van feiten (...). Onmogelijk om te zeggen wat er echt is gebeurd.

    Ik ben het eens met het eerste deel. Het tweede deel is waar voor de apocriefen, maar zeker niet voor het Evangelie van Johannes. De apocriefen zijn min of meer fictieve verhalen, die werden bedacht «voor de noden van de reden », om een geloofswaarheid te illustreren. Om de mensen, die wonderen willen zien, plezier te doen, omdat ze in de vier Evangeliën op hun honger blijven zitten, zeker wat betreft de hele kindertijd van Jezus. Deze verhalen beschrijven bijvoorbeeld de Heilige Familie tijdens de vlucht uit Egypte, terwijl ze zich voeden met vruchten van de bomen, waarvan de takken voor hen neerbuigen zodat ze de vruchten kunnen plukken. Of het kindje Jezus in Nazareth, dat keien omtovert in kleine vogeltjes, gewoon om zijn vriendjes te verbazen (terwijl Johannes ons zegt dat Jezus zijn eerste mirakel pas in Kana deed).    

    Maar het is niet op die manier dat Johannes ons het verhaal van Kana vertelt. We mogen niet vergeten dat Johannes een van de eerste apostelen van Jezus was, die op de bruiloft van Kana nog maar met vijf waren, en dus ooggetuige was.
 
Hij maakt geen onrealistische symbolen. Hij blijft dicht bij de feiten, waarbij hij doordringt tot in de onderliggende betekenis, wonderlijk of alledaags, hierbij inbegrepen het Lijden, wanneer Jezus aan het kruis wordt genageld en doorboord door de lans van de honderdman. Samen met Marcus is hij de meest realistische van de evangelisten. Hij is een discrete getuige, bescheiden, anoniem en daardoor des te meer geloofwaardig. (R. Laurentin)

    Laten we, nu dit duidelijk is, trachten te ontdekken wat de drie gebeurtenissen, waarover ik u heb verteld en waarover de keerverzen van de evangelische lofzangen van de Plechtige Openbaring spreken alsof ze op één en dezelfde dag geschiedden, gemeen hebben.

    In werkelijkheid (en dit mag letterlijk worden genomen) gaat het hier om drie openbaringen, drie uitingen van de Aanwezigheid van God in de wereld, en dit op een tastbare manier. De reden waarom men deel uitmaakt van de schepping, is niet enkel om te voorzien in zijn materiële behoeftes: eten, drinken, enz... En zelfs wanneer u samen eet, met familie of vrienden, doet u dat niet alleen om te voldoen aan uw « primaire » behoeftes. Voor een feestmaal doet u beroep op een symbolische taal om uw onthaal, uw gastvrijheid, uw gezelligheid uit te drukken... allemaal aspecten die niet te eten of te drinken zijn.

    Wel nu, ook God spreekt tot ons in tekenen. Hij sprak tot de Wijzen (en tot ieder van ons) door middel van een ster, die het de heidenen mogelijk maakte om de aanwezigheid van God te ontdekken in het hart van een klein kindje. In dit geval spreekt men over een theofanie, de openbaring van God in onze wereld.
 
    Een andere theofanie : bij het Doopsel van Jezus is het de Stem van de Vader en de Heilige Geest die het mysterie van de Heilige Drievuldigheid openbaart.     

    Ook in Kana gaat het om een openbaring van God. Dat wordt al aangegeven in vers 51 van het eerste hoofdstuk: "Ik zeg ulieden, gij zult de hemel open zien en de engelen Gods opstijgen en nederdalen op de Zoon des mensen." Dit is een aangekondigde theofanie in de toekomst. In vers 11 van hoofdstuk 2 preciseert Johannes : "Hij heeft zijn Heerlijkheid geopenbaard". En de theofanie wordt werkelijkheid.

    "Hij heeft zijn Heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem". Dit is vanzelfsprekend slechts het begin van een lange weg naar het Huis van de Heer, die loopt langs het Kruis. Sommigen willen geen tekenen zien, maar harde bewijzen. Nee ! God is niet te bewijzen. Hij openbaart zich, maar respecteert onze vrijheid. Wij zijn genodigden aan de Bruiloft van het Lam, maar we zijn niet « verplicht » te komen. Het bewijs, door het te bewijzen, vormt een verplichting; het teken, door zich te openbaren, vormt een uitnodiging. Let op voor luiheid in het geloof ! Zeker, het is niet aan ons om water in wijn te veranderen. Maar we moeten geloven dat Jezus het kan, en dat hij het ook zal doen, wanneer hij dat wil; dat wil zeggen “vandaag”! Dat is onze eerste taak. Het is deze taak waarin Maria uitmunt, en dat is haar geluk. Maar onze taak is ook om het water te putten om de kruiken te vullen, om «allles te doen wat hij (ons) zegt » en om alles te doen wat Jezus niet in onze plaats zal doen, zelfs wanneer dat ons nutteloos lijkt. Ook hierin is Maria onze gids en ons voorbeeld.    

    In de tweede lezing zegt Sint-Paulus : "Aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven". Door alles te doen wat Jezus ons zegt, wordt een ieder van ons geroepen om een «theofanie in daden » te worden. De theofanie waarvan wij allen genieten, daarvan moeten wij ook de anderen laten genieten, « tot welzijn van allen », zegt Paulus. Als genodigden van de bruiloft, moeten we bedienden van de bruiloft worden. Wanneer er een dienst moet worden verleend, zijn het steeds dezelfden die antwoorden, dat is niet normaal. Op de bruiloft van Kana is het diegene die niets doet, die uitgeput raakt. Uitgeput raakt ook diegene die alles alleen wil doen. "De functies van de Kerk zijn uiteenlopend, maar het is steeds dezelfde Heer. De activiteiten zijn uiteenlopend, maar het is overal dezelfde Heer die werkt in allen ». Er zijn zovele genodigden op de bruiloft en zo weinig dienaars. Er is zoveel water om de kruiken te vullen en zo weinig wijn. Dus : aan het werk ! Er zijn zovelen die dorst hebben, er is geen wijn meer, en de bruiloft gaat pas beginnen.
 

DE WIJZEN OF HET GEHEIM VAN DE EEUWIGE JEUGD (Mt 2, 1-12)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands

epiphanie ev

    U heeft in mijn homelieën tijdens de Adventstijd kunnen opmerken dat ik het mensenleven in zijn eerste fasen heb besproken (het leven van het embryo, het leven van kinderen en jongeren (Jezus met twaalf jaar). Vandaag vieren we de Openbaring van de Heer. Het is de gelegenheid om deze kersttijd af te sluiten samen met de jongeren.

    Openbaring komt van het Grieks "epiphania" ". De eer van God wordt geopenbaard in een klein kind, het vleesgeworden Woord. De Openbaring des Heren is een Hoogfeest! Bij onze broeders in het Oosterse Kerk komt het zelfs overeen met ons Kerstfeest. Zonder iets te laten merken spelen de Koningen in het evangelie over deze plechtige openbaring van de Heer een belangrijke rol in het leven van de Kerk, in het christelijke leven van ieder van ons.

    Toch heeft enkel het evangelie van Mattheüs het over de Wijzen en hij zegt maar erg weinig over hen. Hij zegt niet vanwaar ze komen - enkel "uit het oosten" - hoe ze heten of met hoeveel ze zijn. Maar hij richt zich tot de joodse christenen, die werden vervolgd door de Joden, en hij wil aantonen dat Jezus wel degelijk de Messias is en dat in het bezoek van de Koningen de profetie van Jesaja waarheid wordt: "De volkeren komen naar jouw licht en de koningen naar jouw ontwakende helderheid", net als Psalm 72 : "De verste koningen knielen voor hem neder, de koningen van Tarsis en Seba bieden hun geschenken en schattingen aan". Daarom worden de Wijzen in de volksdevotie, die zeker niet mag worden geminacht, niet zonder reden "Koningen" genoemd.

    Er werd overeengekomen dat de Wijzen uit Perzië kwamen. De symboliek van hun geschenken werd al snel geïnterpreteerd: goud voor het koningschap van Jezus, wierook voor zijn goddelijkheid en mirre voor zijn menselijkheid. Het is Tertulianus (160-225) die er als eerste, lijkt het, koningen van maakt. Origenus (185-250) introduceert het aantal drie. Hun namen – Melchior, Balthazar en Gaspar – doen hun intrede in de VIIe eeuw. Ze krijgen in de XVe eeuw hun respectievelijke herkomst: de blanke Melchior, de gele Gaspar en de zwarte Balthazar symboliseren dus het hele menselijke ras. Een mooie les tegen het racisme! In hen zien we ook de verzoening tussen de generaties: ze werden ook afgebeeld als de drie levensfases: jeugd, rijpere leeftijd en ouderdom...

    Volgens bepaalde tradities werden de Wijzen gedoopt door de apostel Thomas. Hun drie lichamen, die door Sint-Helena (IVe eeuw) uit het Oosten zouden zijn meegebracht naar Constantinopel, zouden overgebracht zijn naar een kerk in Milaan. De aarstbisschop van Keulen verkreeg het recht om deze relikwieën te bewaren in zijn Sint-Pieterskathedraal. Een gedeelte ervan zou later worden teruggebracht naar Milaan. Studies hebben aangetoond dat deze relikwieën uit Keulen dateren van uit het begin van het christelijke tijdperk en dus hoogstwaarschijnlijk authentiek zijn.

    En laat ons nu terugkomen op de jongeren van vandaag. Johannes Paulus II riep de jongeren uit de hele wereld bijeen in Keulen voor de WJD. Het was uiteindelijk Benedictus XVI die voor het eerst als paus terugkeerde naar zijn geboorteland. Ter gelegenheid hiervan verklaarde hij:

De stad Keulen zou niet zijn wat ze is zonder de Drie Koningen, die zo'n belangrijke rol spelen in haar geschiedenis, haar cultuur en haar geloof. Hier viert de Kerk het hele jaar lang het feest van de Openbaring! Daarom heb ik, voor ik me tot u richtte voor deze schitterende kathedraal, enkele ogenblikken gebeden voor het reliquarium van de Wijzen, om God te danken voor hun getuigenis vol geloof, hoop en liefde. De relikwieën van de Wijzen vertrokken in Milaan in 1164, geëscorteerd door de Aartsbisschop van Keulen, Reinald von Dassel, helemaal over de Alpen om uiteindelijk in Keulen aan te komen, waar ze jubelend werden onthaald. Door hun verplaatsing doorheen Europa lieten de Wijzen duidelijke sporen na, die ook vandaag nog voortleven in plaatsnamen en in de volksdevotie. Voor de Wijzen hebben de inwoners van Keulen het waardevolste reliquarium uit de christelijke wereld laten maken en, alsof dat niet volstond, hebben ze daarbovenop een nog groter reliquarium laten bouwen: deze schitterende gothische kathedraal die, na de verwoestingen van de oorlog, opnieuw openstaat voor bezoekers, in al haar luister en schoonheid. Samen met Jeruzalem, de «Heilige Stad», met Rome, de «Eeuwige Stad», met Sint-Jacob van Compostella in Spanje is Keulen, dankzij de Koningen in de loop van de eeuwen uitgegroeid tot een van de belangrijkste pelgrimsplaatsen uit het christelijke westen.

    Het thema dat gekozen werd voor deze dagen - "Komt, laten wij hem aanbidden" - bevatte twee grote beelden. Eerst was er het beeld van de pelgrimstocht ("KOMT, laten wij hem aanbidden), het beeld van de mens die, door verder te kijken dan zijn eigen materiële zaken en het dagelijkse leven, op zoek gaat naar zijn essentiële bestemming, de waarheid, de juiste weg, God. In een samenleving waar koopkracht alles regeert, is deze prioriteit niet meer evident!

    Dit beeld van de mens op weg naar het doel van zijn leven bevatte in zich nog twee duidelijke aanwijzingen. Eerst en vooral was er de uitnodiging om de wereld die ons omringt, niet enkel te zien als grondstof waarmee we iets kunnen doen, maar om erin op zoek te gaan naar de "handtekening van de Schepper", de scheppende reden en de liefde, waaruit de wereld is ontstaan en waarover het universum ons vertelt, als we opletten, als onze innerlijke zintuigen ontwaken en de diepste dimensies van de werkelijkheid kunnen waarnemen. Het tweede element was de uitnodiging om te luisteren naar de historische revelatie die, alleen, ons de sleutel kan bieden tot het lezen van het stille mysterie van de schepping, door ons concreet de weg naar de Meester van de wereld en de geschiedenis te wijzen, verborgen in de armoedige stal in Betlehem.

    Het andere beeld dat ligt vervat in het thema van de Wereldjongerendagen, was de mens in aanbidding: "We zijn gekomen om hem te AANBIDDEN". Voor iedere activiteit en iedere transformatie in de wereld moet er aanbidding zijn. Zij alleen maakt ons echt vrij; zij alleen geeft ons de criteria voor onze actie. Precies in een wereld waarin leidende criteria stilaan beginnen af te brokkelen en waarin het gevaar bestaat dat iedereen zijn eigen criteria najaagt, is het van uiterst groot belang om de aanbidding te benadrukken. Bij iedereen die aanwezig was bij de WJD in Keulen, blijft de intense stilte van een miljoen jongeren op het moment waarop de Heer in het Heilige Sacrament op het altaar wordt geplaatst, in het geheugen gegrift.

De reactie tegen een wereld onder hoogspanning door een gebrek aan stilte, een wereld die het noorden kwijt is door een gebrek aan wijsheid, komt voort uit het succes van de filosofieën uit het Verre-Oosten. Maar op een dieper niveau wijst ze op ze een te lang onderdrukte dorst naar transcendentie, naar een mystieke zoektocht. In dit opzicht is ze het symptoom van een ernstig gebrek in het hedendaagse, westerse christendom. Aangezien het nauwelijks het beste van zijn eigen spirituele traditie heeft aangeboden, is het onvermijdelijk dat mensen op zoek gaan naar surrogaatproducten. In hoevele duizenden christelijke middens wordt mystiek, steeds in een pejoratieve betekenis, niet gebrandmerkt als gevaarlijk? (Van de oevers van de Ganges tot de oevers van de Jordaan, p. 5-6)

    Ik vergeet nooit meer het "standje" van de priester van de parochie waar ik gedurende één jaar onderpastoor was (dat was in het eerste jaar van mijn priesterambt!): "Weet je, hier zijn de mensen geen mystici!" Maar toen ik deze parochie moest verlaten, omdat ik tot pastoor was benoemd in een andere, zei een parochiaan me: "Meneer de Onderpastoor, bedankt! U heeft ons opnieuw leren bidden." Als je ziet in hoeveel kerken de priesters het Lichaam van Christus niet meer uitstellen voor de aanbidding van de gelovigen, in hoeveel kerken de katholieken bij het binnenkomen in de kerk geen kniebuiging meer maken en in hoeveel kerken ze tijdens de consecratie blijven rechtstaan of zelfs blijven zitten...

(...) Kortom, door het socio-politieke engagement en de doeltreffendheid van de actie te bevoordelen (en dit, het moet worden benadrukt, in reactie tegen een tijdperkt van "verafgodingen" die niets meer met de werkelijkheid hebben te maken: karikaturen van een echte spiritualiteit), ten nadele van de contemplatieve aanbidding, heeft men onze broeders laten omkomen van de dorst, vlak naast zorgvuldig gebarricadeerde waterputten. Terug op weg gaan naar onze bronnen: dat is de beste manier om een antwoord te bieden op de religieuze aspiraties van de westerse mens.
(Van de oevers van de Ganges tot de oevers van de Jordaan, p. 5-6)

    Laten we dus luisteren naar de waarschuwing van Jesaja, voor het voor ons te laat is. Het is al te laat voor zovele kinderen, jongeren en volwassenen, die ten prooi zijn gevallen aan de wanhoop, daarna aan de dood, door een gebrek aan aanbidding (cf. het profetische boek van Père Molinié, Aanbidding of wanhoop):

Omdat dit volk de zacht vloeiende wateren van Silóah versmaadt, daarom doet de Here over hen opkomen de machtige en geweldige wateren van de Rivier, deze zal buiten al zijn beddingen stijgen en buiten al zijn oevers rijzen, overstromen en steeds verder om zich heen grijpen, uw hele land vullen. (Is 8, 5-8)

    Sint-Paulus legt uit over welke rivier het gaat:

De Geest zegt nadrukkelijk dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen. (1 Tm 4, 1-2)

    Alice Bailey in persoon weet waarover ze praat en bevestigt tegen wil en dank:

Lucifer is het die regeert over de mensheid... ten minste is hij de ster die haar leidt en hij is de ster die de huidige New Age-beweging leidt.

    Ieder zijn ster...

    In zijn boek: Christian response to the occult, schrijft Tom Poulson:

Wie de opperste rangen van de vrijmetselarij bereikt, zal zien dat het gaat om aanbidders van Lucifer.

    Ja, zoals het miljoen jongeren dat aanwezig was in Keulen kan bevestigen, Johannes Paulus II zag het juist toen hij schreef:

We moeten bekennen dat wij allen nood hebben aan deze stilte vol goddelijke aanwezigheid. (Orientale Lumen, 16)

    Laten we, net als hij en net als zij, naar de school van de Wijzen gaan, zodat ze ons onderrichten in het geheim van de eeuwige jeugd, die ook het geheim is van de "zeer grote vreugde" (Mt 2, 10).

Verkiezing in de woestijn (Lc 4, 1-13)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands

1 careme C ev

Heer, samen met U trekken we de woestijn in,
net als U gedreven door de Geest.
En we zullen het Woord van God eten,
En we zullen onze God kiezen.
En we zullen Pasen in de woestijn vieren:
we zullen de woestijn samen met u beleven!

(G 229, J. Servel - J. Gelineau)

    Met het zingen van deze woorden hebben we de Vastentijd ingezet. Een heel programma! De Vasten beantwoordt aan wat de Heer ons zegt in het Evangelie van vandaag. Als het ten minste niet enkel mooie "verkiezingsbeloften" zijn. Dan kunnen we ze daadwerkelijk beleven.

    Laten we dus even nadenken over wat de Heer ons belooft, en over wat wij de Heer hebben geantwoord, om er de "kosten" van te berekenen en de besparingen om ze te "financieren", zoals goede beleggers dat doen.

We trekken de woestijn in

    Eerst hebben we beloofd om de woestijn in te trekken. Welke? Die van Judea, de Sahel, die in Irak, of New Mexico? Die van een… verlaten eiland?
Doorheen de geschiedenis hebben mannen en vrouwen ervoor gekozen om het voorbeeld van Jezus te volgen en de woestijn in te trekken. In het Oosten, te beginnen met de Heilige Antonius, trokken ze door de woestijn van Egypte of Palestina; in het Westen zijn er geen echte zandwoestijnen, en daarom trokken ze daar naar afgelegen plaatsen, de bergen in of naar verlaten valleien. (R. Cantalamessa)

    Daar zijn we het dus over eens: de woestijn waarover men spreekt is niet noodzakelijk een plaats waar enkel zand is. Maar is het altijd een plaats waar geen mensen zijn? Zoals iemand terecht opmerkte: "Hoe talrijker we zijn, des te meer kans dat niemand luistert". Albert Camus zei: "Als remedie tegen het leven in de samenleving stel ik de grote steden voor: dat is de enige woestijn binnen handbereik."

    Vandaag bestaat er een nieuwe gemeenschap die zich de "Fraternités monastiques de Jérusalem" noemt. Dit zijn monniken en slotzusters "in het hart van de stad", die deeltijds werken en van wie de afsluiting anders wordt beleefd dan in de traditionele ordes. Deze monniken en zusters wijzen ons erop dat we allemaal het voorbeeld van Jezus kunnen volgen, zelfs in een grote stad als Parijs.
De uitnodiging om Jezus te volgen in de woestijn geldt voor ieder van ons. De monniken en kluizenaars kozen een plaats in de woestijn. Wij kunnen een tijd in de woestijn kiezen. Een tijd in de woestijn, dat betekent dat we het even stil en leeg maken rondom ons, dat we de weg van ons hart zoeken, dat we ons onttrekken aan het lawaai van het alledaagse leven en de diepste bronnen van ons zijn opzoeken. (R. Cantalamessa)

    De woestijn intrekken, dat is voor ons vandaag even de wereld van de Amerikaanse soaps achter ons laten, de showbizz laten voor wat ie is, afstand nemen van televisieshows en spelletjes, die onze huizen van 's morgens tot 's avonds onophoudelijk overspoelen. De woestijn intrekken, dat is, vooral voor de kinderen en jongeren van vandaag, even de herrie van walkmans en MP3-spelers weglaten; de virtuele wereld van computerspelletjes verlaten. Om dat te doen hoeven we geen vliegtuigticket naar een ver land te kopen. Gewoon de televisie, onze MP3-speler of gameboy uitzetten is voldoende om even in zich te keren, ons in onszelf terug te trekken.
De Heilige Franciscus van Assisi deed een praktische suggestie. « We hebben, zei hij, een plek van afzondering altijd bij ons, waar we ook gaan, en telkens als we dat wensen, kunnen we ons erin opsluiten als kluizenaars. Die plek van afzondering is ons lichaam en de ziel is de kluizenaar die erin woont! » We kunnen ons terugtrekken op deze "mobiele" plek van afzondering, zonder dat iemand dat merkt, zelfs in een overvolle bus. Af en toe moeten we «ons in onszelf kunnen keren». (R. Cantalamessa)

    De kosten voor ons zijn dus beperkt. Waarom nog aarzelen? Maar laten we de beloften van de Heer niet vergeten.  

Heer, met u...

    Gaan we dus aan yoga doen? Of aan medidatie? Boven onszelf uitstijgen? Op eigen kracht of door onze concentratie? Zijn we niet allen gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? En hebben we daarvoor moeten werken? Ons moeten inspannen? Ons moeten concentreren? Nee! We moesten enkel geloven (cf. 2e lect.). En dan nog... We zijn gedoopt toen we nog heel klein waren, het is het geloof van onze ouders, onze meters en peters, dat ons op dat moment droeg. Het is het geloof dat ons verbindt met Jezus; het is ons geloof dat het ons mogelijk maakt om Jezus te volgen in de woestijn van ons hart. Want hij is ons voorgegaan. En hij wacht op ons, hij wacht al zo lang, zoals een mens die op zijn geliefde wacht. Dat te geloven, dat Jezus van ons houdt en op ons wacht in de woestijn, is dat te veel gevraagd?

Net als U gedreven door de Geest

    Het geloof is een geschenk van God. Een geschenk! Gratis! Maar ze vereist de kracht van de Heilige Geest, die het geschenk is van de Vader. Dat heeft niets te maken met concentratie of moeite doen. Door het geloof zegt God ons dat we zijn als een tempel van God (Ga 5, 25) en dat de Geest van God in ons woont (1Co 3, 16). Jezus zelf werd "geleid door de Geest" doorheen de woestijn.
«Ik kan niet mediteren», riep de helige Bernadette. Laat ons eerlijk zijn: niemand van ons kan dat! Paulus zelf gaf het toe: We weten niet hoe we juist moeten bidden. Maar het wonderlijke is dat er iemand is die ons ter hulp schiet, zolang we dat maar toelaten of beter nog: als ons gebed zich bij het zijne wil voegen. (…) Dan kan men zich laten dragen op de vleugels van dit gebed, waarvan het Geschrift ons doet begrijpen dat het de kracht heeft van een arend en de zachtheid van een duif. Zoals Thomas van Aquino het zo mooi verwoordt, « De Heilige geest maakt van ons geliefden van God. (Pierre-Marie Delfieux, stichter van de Fraternités monastiques de Jérusalem)

    Zich laten dragen door de vleugels van de Geest die in ons bidt en die van ons de geliefden maakt van wie onze geliefde is: wat is er eenvoudiger? Ja, en ik hoor het u al zeggen: - In de woestijn was er ook de duivel! Het is gevaarlijk in de woestijn! Je blijft veel beter veilig thuis... Ik heb het u al gezegd: het gaat hier niet om ofwel thuis blijven, ofwel de woestijn intrekken. De woestijn intrekken, dat is in zichzelf keren. Zolang we niet in onszelf keren, laat de duivel ons met rust, wat niet wil zeggen dat hij er niet is. Hij is er wel, maar hij toont zich niet. Hij vindt dat niet nodig, omdat we ver van de Heer ronddwalen. Dat zijn de twee eerste regels van de geestelijke scherpzinnigheid van Ignatius van Loyola:
Bij wie van de ene doodzonde naar de andere gaat, heeft de vijand meestal de gewoonte om hem duidelijke geneugten voor te stellen. (...) Bij hen gebruikt de goede geest een omgekeerde werkwijze: hij port ze in de goede richting, doet een beroep op hun bewustzijn door het begrip van goed en kwaad van de rede.
Bij wie zich grondig reinigt van zijn zonden en wie, in dienst van God onze Heer, altijd beter wil zijn, gaat het om de omgekeerde werkwijze van de eerste regel. Want hier bijt en bedroeft de kwade geest, hier zet hij obstakels, hier voert hij valselijke redenen aan om niet verder te gaan. En hier geeft de goede geest moed en kracht, troost, tranen, inspiratie en gemoedsrust, door de dingen gemakkelijk te maken en alle obstakels uit de weg te ruimen, zodat men verder gaat in het goede.

    Van elementair belang, mijn beste Watson, zou een alom bekende detective zeggen. Van elementair belang, en toch niet gekend door zovele christenen. Daarom vergissen zovelen zich en zeggen ze dat de duivel niet bestaat, dat praten over de duivel slechts een manier is om te praten over het kwade. Dat zeggen ze omdat ze nooit op zijn tegenstand zijn bebotst, zou dat niet zijn omdat ze "van de ene doodzonde naar de andere gaan", of zo niet dan toch omdat ze zich niet op de vrome weg bevinden? Het zal geen Curé d'Ars, een Pater Pio of een Marthe Robin zijn die zegt dat de duivel maar een manier van spreken is. Zeggen dat de bezetenen uit het Evangelie slechts geesteszieken of epileptiepatiënten zijn, is tegenwoordig bon ton. Zullen ze dan ook zeggen dat Jezus een geesteszieke of een epileptiepatiënt is?

    Ik wil hier ook wijzen op de twaalfde regel. De Heilige Ignatius vergelijkt daar het gedrag van de duivel met het gedrag van een vrouw. Dat komt vandaag de dag niet goed over. Ik sla deze passage dus over. Als dat u interesseert, kunt u het zelf lezen:
De vijand heeft de neiging om te verzwakken en de moed te verliezen, op de vlucht te slaan met zijn verleidingen, wanneer zijn tegenstander vastbesloten het hoofd biedt aan zijn verleidingen. Omgekeerd, wanneer zijn tegenstander angst begint te krijgen, de moed begint te verliezen onder invloed van de verleidingen, is er over gans het aanschijn der aarde geen woester beest dan de vijand van de menselijke natuur om zijn verdoemde bedoelingen na te streven met zulk een grote boosaardigheid.

    Wanneer we bang zijn van de duivel, dan geven we hem kracht. Als we stoppen met bidden, bijvoorbeeld, omdat we geconfronteerd worden met verleidingen die er daarvoor niet waren, dan spelen we in de kaart van de duivel.

En we zullen het Woord van God eten

    "De mens leeft niet van brood alleen". Zo biedt Jezus de duivel het hoofd, wanneer die hem voorstelt om een steen in brood te veranderen. Zich voeden met de Woord van God, dat is een absolute en vitale noodzaak om in leven te blijven. Dit voedsel is fundamenteel. Ik wijs u erop dat dit het thema is dat Benedictus XVI heeft gekozen voor zijn eerste Synode van Bisschoppen van zijn Pontificaat (van 5 tot 26 oktober): "Het Woord van God in het leven en de missie van de Kerk ". Hij was van mening dat het Concilie Dei Verbum van veertig jaar geleden "een van de belangrijkste documenten van het concilie Vatikaan II is ":
De Kerk leeft niet van zichzelf maar van het Evangelie en het is uit het Evangelie dat ze altijd en steeds opnieuw haar richtlijnen haalt. Het is een opmerking die iedere christen moet kennen en toepassen: enkel wie het Woord wil horen, kan het verkondigen. Inderdaad, niet zijn eigen wijsheid moet worden onderricht, maar de wijsheid van God, die vaak gek lijkt in de ogen van de wereld.

    En hij ging verder met te zeggen dat "De Kerk en het Woord van God wezenlijk met elkaar zijn verbonden" omdat, zoals Petrus zegt, "geen enkele profetie onderhevig is aan een interpretatie van een persoon". Het Evangelie van vandaag toont ons aan dat ook de duivel zich van de Bijbel kan bedienen, maar door die op zijn manier te interpreteren, om ons in verleiding te brengen. Met hoevelen zijn zij die zich beroepen op de Bijbel om te spreken en te handelen, zogezegd "in naam van Jezus" maar tegen de Kerk en tegen de zeden?

En we zullen onze God kiezen

    Na het Woord te hebben gehoord, moet het Woord in de praktijk worden omgezet. Het Woord zegt ons wat de wil is van God, zodat we die in de praktijk brengen. Dat noemt de Heilige Ignatius "de verkiezing" . Om de goede keuze te maken, een goede verkiezing, is het eerst en vooral nodig, "in de mate waarin dat van ons afhangt", dat "het oog van onze intentie eenvoudig is, door enkel te kijken naar datgene waarvoor ik werd geschapen: om lof te zingen op God onze Heer en de redding van mijn ziel."

    Het doel heiligt niet de middelen maar de middelen het doel:
Zo komt het bijvoorbeeld voor dat velen in eerste instantie ervoor kiezen om te huwen, hetgeen een middel is, en in tweede instantie om God onze Heer in het huwelijk te dienen, terwijl God dienen het doel is. (...) Daaruit volgt dat zij niet recht naar God gaan, maar willen dat God recht naar hun losbandige verbintenissen komt; bijgevolg maken ze van het doel het middel en van het middel het doel, zodat zij wat ze op de eerste plaats hadden moeten zetten, op de laatste plaats zetten.  

    De overwinning in het gevecht van de woestijn is aan die prijs...

En we zullen Pasen in de woestijn vieren: we zullen de woestijn samen met u beleven!

    Laten we dus niet vergeten wat het doel is, de zin van dit alles: Pasen vieren. Pasen, dat is overgaan van deze wereld naar de Vader, zoals Johannes al zei over Jezus in het Evangelie (Joh 13, 1...). Maar dit Pasen is niet enkel het doel van ons leven. Het is ook een Pasen vanaf vandaag. En als we het niet iedere dag beleven, dan zullen we het ook niet kunnen beleven aan het einde van ons leven. Dat geldt ook voor de Vastentijd. Pasen is niet enkel een feest aan het einde van die veertig dagen durende Vastentijd. Pasen is in onze woestijn van vandaag!

BEKERING : VIJGEN VOOR PASEN ? (Lc 13, 1-9)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
N.B.: Dit is geen vertaling van mijn homilie in het Frans

SE CONVERTIR OU PÉRIR (Lc 13, 1-9)

maar wel een bekopte samenvatting.


We aanzien onszelf als christenen. Maar er zijn zo van die overtuigingen die rotsvast in ons hart geworteld zijn en die niet alleen met het evangelie niets te maken hebben maar er regelrecht tegenin gaan!

Het evangelie van deze derde zondag van de vasten is daar een goed voorbeeld van. Hoe dikwijls denken we niet dat God de zondaars straft en de rechtvaardigen spaart?

Is Jezus dan niet DE rechtvaardige? Jezus begeeft zich naar Jerusalem. Hij weet heel goed wat hem daar te wachten staat: lijden tot de dood toe, en sterven op een kruis. Wat heeft hij misdaan om dat te "verdienen"?

Wanneer gaan wij, als er ergens een katastrofe gebeurt, eindelijk bekennen dat we allemaal  zondaars zijn, doden én overlevenden? En wanneer gaan we begrijpen dat tragedies "tekenen" zijn die ons allemaal tot inkeer en tot bekering moeten stemmen.

Wat is onze opvatting van de betekenis van "zich bekeren"? Is dat iets dat enkel is voor de anderen, iets dat ons niet aangaat, of waarmee we al lang klaar zijn ... of waarmee we nooit zullen klaar komen? Jezus spreekt duidelijke taal: "Neen, zeg Ik u: maar als gij u niet bekeert, zult gij allemaal even goed omkomen."

Zich bekeren of omkomen: dat is de keuze waar we allemaal voor staan. Dat is toch niet iets waar je verstrooid kan bij zijn.

De onuitputtelijke schat van de barmhartigheid van de Vader: die maakt elke bekering mogelijk, hoe hopeloos het "geval" ook mogen blijken, dat van ons, dat van iemand anders. We kunnen er allemaal van gebruik maken, nu, dadelijk. Het is onze schat, ons erfdeel.

De verloochening van Petrus - Rembrandt

Het ideaal van het christelijk leven bestaat er niet in zich zo vlug en zo volledig mogelijk van Gods barmahartigheid te kunnen ontdoen. De geheime motor van de heiligheid bestaat  juist in de innige overtuiging dat we die barmhartigheid hoe langer hoe meer nodig hebben.

En als we op die weg vooruitgang maken zullen we hoe langer hoe minder zin hebben onze medemensen te minachten en te veroordelen.

Dat is de ervaring geweest van Petrus en van alle apostelen. Van zodra ze met die onderneming serieus begonnen zijn, waren ze klaar voor Pinksteren.


   




Hoe zit dat nu met die vijgen? Na Pasen is het misschien nog niet te laat. Maar liever zeker spelen. Trouwens, voor Pasen zijn ze beter!

KONINKLIJK VERGEVEN (Lc 6, 27-38)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
    Vorige zondag zei Jezus : "Zalig zij de armen, van u is het Koninkrijk Gods!" (Lc 6, 20). Dat wil zeggen dat dit Koninkrijk niet enkel het Koninkrijk is van een arme God, maar ook het Koninkrijk van alle armen. Het Koninkrijk is van God, maar ook van zijn arme schepping, uit gratie, uit pure gratie. Dat is het Evangelie!

    Geloven in dit Evangelie, in de Blijde Boodschap, veronderstelt erkentelijkheid, dankbaarheid. Volgens Van Dale is dankbaarheid  "een goede gezindheid jegens iemand van wie men iets goeds heeft ondervonden en het blijk ervan, het zich erkentelijk voelen". "Het is een bloem die in weinige tuinen groeit", hoorde ik iemand zeggen die ontgoocheld was in de houding van een persoon ten opzichte van wie hij erg vrijgevig was geweest maar die er zomaar aan voorbijging.

    Vrijgevigheid is niet enkel een christelijk goed. In iedere vrijgevige daad, die wordt gesteld door de menselijke natuur, schuilt ook een zoektocht naar zichzelf, de zoektocht naar een beloning. Men is vrijgevig met een achterliggende gedachte, om er iets voor terug te krijgen, al is het maar achting. Het is een manier om zich te doen gelden, zodat iemand bij ons in de schuld staat.

    Maar wanneer God’s gratie ermee gemoeid is, ligt de zaak  helemaal anders. We geven dan om niet, want het hebben om niet gekregen (cf. Mt 10, 8). Uit christelijk standpunt is dankbaarheid dan geen “betaalmiddel” meer voor wat we van de andere hebben gekregen. Integendeel, het is erkennen dat we nooit zullen kunnen betalen, zelfs niet met ons bloed. Dat is wat de bijbel God « danken » noemt. God danken is niet de Heer teruggegeven wat hij ons gegeven heeft. Dat zou onmogelijk zijn. Danken, dat is erkennen dat we Hem nooit zullen kunnen teruggeven wat Hij ons gegeven heeft; het is erkennen dat wat we hebben gekregen van God, geen salaris is, iets wat we zouden hebben verdiend, maar een pure daad van barmhartigheid, van de gratie (de kostenloosheid) van God, Hij die zijn Koninkrijk niet aan de rijken geeft (rijk aan geld, of deugden of verdiensten) maar aan de armen.

    Jezus stelt ons dan driemaal de vraag, en hoopt dat we het zullen begrijpen (jammer dat de vertaling wat kleurloos is): "Wat hebt gij voor?" Het Griekse woord dat Lucas gebruikt is "charis", wat « dank » betekent : “Welke dank verwacht u ervoor terug?”. De band met de Vader, van wie Jezus de zoon is, is hier van fundamenteel belang. Het bereidt al voor op de parabel van de Goede Vader : “mijn zoon” – “jouw broer” (Lc 15, 24.32). Arm zijn, dat is lijken op Jezus ; uitsluitend leven van de gratie van de Vader en de gratie doorgeven zonder er iets voor terug te willen.

    Denken we hierbij aan de inhuldiging van Jezus in de synagoge van Nazareth, waar hij zich voorstelt als diegene die « vandaag » « verwezenlijkt » wat in het Boek Jesaja staat geschreven :
De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen ; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. (Lc 4, 18-19)

    Dat is het Evangelie door de gratie van God. Jezus krijgt de gratie enkel om de armen de Blijde Boodschap van de gratie te verkondigen.

    Maar het vervolg van het verhaal van Lucas toont ons, tegenstrijdig genoeg, hoe moeilijk het is om die te ontvangen wanneer men rijk is. En dat is van fundamenteel belang als we willen begrijpen waarom we zoveel moeite ondervinden bij het vergeven van het kwade dat anderen ons hebben aangedaan. Als het Evangelie ons dat vraagt, is dat niet iets wat onze krachten overschrijdt vanaf het moment waarop we zelf vergeving krijgen, de gratie van God, die ons het Koninkrijk voor niet geeft. Als we deze gratie niet ontvangen als een gratie, als we blijven rekenen op onze eigen rijkdommen om het Koninkrijk te betreden, dan wordt vergeving vanzelfsprekend niet alleen moeilijk maar echt onmogelijk.

    Dit verklaart waarom zolang Israël leefde in afwachting van dit « vandaag », van Jezus, van deze vervulling van de  profetieën, de echte vergeving van zijn broeders, zoals Jezus dat vraagt, nog niet mogelijk is. Dat wil niet zeggen dat alle Joden met haat en wraakgevoelens leefden. Want in die mate waarin de gratie van Gods gedeeltelijk en punctueel werd gegeven, kon deze gedeeltelijke en punctuele gratie reeds, in de mate waarin ze daadwerkelijk werd ontvangen met een arm hart, mooie vruchten dragen.

    De houding van David ten opzichte van Saul (eerste lezing) is daar een mooi voorbeeld van. Saul is in ongenade geva    llen voor de Heer, omdat hij niet heeft gehoorzaamd. Hij die, zonder enige verdienste van zijn kant, van de Heer de macht had gekregen over het Koninkrijk Israël, had zich deze gratie beetje bij beetje toegeëigend. Hij was niet meer die arme aan wie de Heer deze genade had gegeven. Hij was niet meer de goede drager van deze gratie. Hij was er de eigenaar van geworden en bediende zich ervan naar eigen goeddunken, in plaats van naar het Woord te luisteren dat de Heer tot hem richtte door de profeet Samuel. David is dan diegene die door de Heer wordt gekozen om hem op te volgen. Niemand, niet eens zijn eigen vader, had aan hem gedacht. Maar het is hij, die kleine arme herder, die de Heer gaat halen van achter zijn kudde, hij wordt gekozen boven zijn broers, om de koning van Israël te worden.

    David, in tegenstelling tot Saul, is diep getekend door deze gratie. En het is waarschijnlijk dit aspect dat ervoor zorgt dat hij Saul nooit kwaad zal doen, die hem nochtans zonder enige reden vervolgt. Op dat moment zegt David niet: "Hoe? Ik heb zoveel voor jou gedaan! Ik speelde muziek voor je om je zinnen te verzachten en rust te brengen in je getormenteerde ziel. Ik trok uit tegen Goliath en de Filistijnse legers en bracht veiligheid in je koninkrijk. En nu vervolg jij mij ? Nu sta je me naar het leven ? Dat gaat zomaar niet! Trop is teveel!"

    Het verhaal toont ons dat David daadwerkelijk de kans had om zich te wreken en zijn rivaal te doden in zijn slaap. Zijn wapenbroeder AbisaÏ stelt voor dat te doen. Hij doet het niet. Hij steekt geen vinger uit naar Saul. Maar zijn weigering om kwaad met kwaad te vergelden is nog niet de vergiffenis van de zonden waarom Jezus later vraagt. David denkt dat wraak koud moet worden gegeten. Beter nog, hij “spaart de wraak op met intresten”, zoals Père Barthélemy, mijn professor theologie van het Oude Testament, zei:

    Hij laadt gloeiende kolen op het hoofd van zijn vijand (zie Ps 25, 21-22; Rom 12, 20). Een kenmerkende houding uit het Oude Testament, waarvan David de grondlegger is. Weigeren om zich te wreken wordt door hem beschouwd als onderpand voor goddelijke bescherming in de toekomst. Wanneer namelijk de wraak het evenwicht van de Goddelijke Rechtvaardigheid eeuwigdurend in evenwicht brengt, dan vergroot de weigering om zich te wreken systematisch het onevenwicht en is de Goddelijke Rechtvaardigheid verplicht tussen te komen.

    De houding van David wordt dus ingegeven, niet door vergiffenis, maar door de berekening van een hoger belang : hij weigert om zich zelf te wreken maar rekent op God om dit des te meer te doen.

    Deze weigering van David om zich te wreken wordt nog ingegeven door twee andere berekeningen waarmee hij hoopt om ooit de « samengestelde intresten » te kunnen innen, in plaats van de eenvoudige belangen die een onmiddellijke wraak hem zouden opbrengen. Deze handelswijze levert David de kostbare sympathie op van zijn tegenstander, in plaats van zijn haat op te wekken zoals dat het geval zou zijn geweest bij een bloedige wraak. Zo isoleert David Saul en drijft hij hem tot wanhoop. Ten slotte, door de onschendbaarheid van de « Door God Gezalfde » tot in zijn achtervolger te respecteren, verzekert hij op voorhand de stabiliteit van zijn toekomstige koninkrijk. Hij denkt bij zichzelf : als ik Saul respecteer als koning, zal men mij ook respecteren als ik op mijn beurt koning ben... en als ik ook enkele domme dingen doe.

    Merk op dat dit wel de houding was van David ten opzichte van Saul, maar niet ten opzichte van zijn andere vijanden. Op zijn sterfbed draagt hij zijn zoon en troonopvolger Salomon nog op om zich te wreken op zijn vijanden...

    Dit is het grote verschil tussen de houding van David ten opzichte van zijn vijanden en die van Jezus ten opzichte van ons : "Heer, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen". De begunstigden van dit gebed van Jezus, dat zijn niet enkel de Joden en de Romeinen die hem tweeduizend jaar geleden hebben gekruisigd. Zolang wij Jezus blijven kruisigen met onze zonden, slaat dat ook op ons en meer nog dan op de Joden en de Romeinen! Het is niet enkel voor hen, maar ook voor ons, dat Paulus schrijft:
Toen wij nog zwak waren, is Christus te zijner tijd voor goddelozen gestorven. Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven – God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons is gestorven. (Rm 5, 6-8)

    Dat is de gratie van de gift, de vergiffenis van God. Geen berekeing, hier, geen intrest. Zo zijn wij niet enkel toegelaten in het Koninkrijk, maar zo ook heeft God van ons koningen gemaakt. Zijn vijanden liefhebben is dus niet gewoon een stijlfiguur, het is doen wat de Vader doet wanneer hij ons liefheeft.
Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een helige natie, een volk van God; om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht. (1 P 2, 9)

    Daarom, zegt Paulus, roemen wij niet onszelf, zelfs niet onze vergiffenis:
wij roemen in God, door onze Here Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben. (Rm 5, 11)

    We hebben nog veel meer gekregen dan David. David werd koning van een koninkrijk dat niet meer was dan de aankondiging van het Koninkrijk waarvan we door het doopsel allen koningen zijn geworden. Omdat we meer hebebn gekregen dan David, wordt er ook meer van ons gevraagd. Er wordt ons gevraagd vergiffenis te schenken zoals Christus ons vergiffenis heeft geschonken, in dezelfde mate, dat wil zeggen: zonder maat, door de rechterwang te bieden wanneer men ons op de linker slaat.

    Pastoor David Wilkerson vertelt in La Croix et le Poignard, een boek dat een bestseller werd, hoe een bendeleider in New York dreigt om hem in stukjes te hakken. De pastoor antwoordt hem: Dat kun je doen, maar weet dat ieder stuk je nog zal zeggen "ik hou van je".

    Dat wil niet zeggen dat we over ons heen moeten laten lopen. De goedheid die we verplicht zijn aan onze vijanden draagt ons op om hen in bepaalde omstandigheden het hoofd te bieden, zoals Jezus ons aantoont in het Evangelie. Een wettelijke verdediging, gerechtelijke stappen... zijn niet noodzakelijk onverzoenbaar met een echte vergiffenis, als we alle andere manieren hebben uitgeprobeerd om het bijzondere goed van een persoon of het gemeenschappelijke goed van een gemeenschap te vrijwaren. Jeanne d'Arc is hier een goed voorbeeld van: om de Engelsen uit Frankrijk te verjagen, belastte de Heer haar met de taak om een leger aan te voeren. Ze deed dit uit liefde voor God, voor Frankzijk en zonder haat tegen de Engelsen.

Benedictus XVI, Boodschap ter gelegenheid van de 15e Wereldziekendag

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
    Broeders en zusters, op 11 februari 2007, de dag waarop de Kerk het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes viert, vindt in het Koreaanse Seoul de vijftiende Wereldziekendag plaats. Op het programma staan verschillende ontmoetingen, conferenties, pastorale vergaderingen en liturgische vieringen met de vertegenwoordigers van de Koreaanse Kerk, de gezondheidssector, zieken en hun familie. Opnieuw heeft de Kerk aandacht voor zij die lijden en ze vestigt de aandacht op de ongeneeslijk zieken, waarvan er velen overlijden aan terminale ziektes. Zieken zijn er op ieder continent, vooral op plaatsen waar armoede en moeilijke levensomstandigheden leiden tot ellende en immense pijn. Ik ben begaan met deze mensen hun lijden, en daarom zal ik spiritueeel aanwezig zijn op de Wereldziekendag, verbonden met alle mensen die eraan deelnemen, die praten over de vele ongeneeslijke ziekten in de wereld en die een motivatie zijn voor de christelijke gemeenschappen om hun inspanningen voort te zetten en te getuigen van de tederheid en de barmhartigheid van de Heer.

    Ziekten leiden onvermijdelijk tot een crisismoment en een ernstige confrontatie met z’n persoonlijke situatie. De vooruitgang in de medische wetenschappen biedt vaak de nodige instrumenten om deze uitdaging het hoofd te bieden, ten minste wat de fysische kant betreft. Toch heeft ieder mensenleven intrinsieke grenzen en zal het, vroeg of laat, eindigen met de dood. Dit is een ervaring waarmee ieder menselijk wezen te maken krijgt en waarop we moeten zijn voorbereid. Ondanks de wetenschappelijke vooruitgang is men er nog niet in geslaagd om voor iedere ziekte een behandeling te vinden. Daarom stoten we in alle ziekenhuizen, tehuizen en verzorgingscentra ter wereld op het lijden van velen van onze broeders en zusters, die lijden aan ongeneeslijke ziekten, soms in de terminale fase. Bovendien leven verschillende miljoenen mensen in de wereld nog in primitieve omstandigheden en hebben ze geen toegang tot de noodzakelijke medische hulp en basisverzorging, waardoor het aantal mensen dat wordt beschouwd als «ongeneeslijk» sterk is gestegen.

    De Kerk wil de ongeneeslijk en terminaal zieken steunen door de invoering van een eerlijk sociaal beleid aan te moedigen, waardoor de oorzaken van talrijke ziekten kunnen worden aangepakt, door steeds opnieuw aan te dringen op een betere bijstand voor stervenden die op geen enkele medische behandeling kunnen rekenen. Er is dringend nood aan een beleid dat in staat is om omstandigheden te scheppen waarin de mensen kunnen omgaan met een ongeneeslijke ziekte en de dood waardig kunnen tegemoet kijken. In dit opzicht moet opnieuw worden gewezen op de noodzaak van meer centra voor palliatieve zorgen, die een allesomvattende bijstand bieden, door de zieken menselijke hulp te bieden en de spirituele begeleiding waar ze nood aan hebben. Dit is een recht van ieder menselijk wezen, waarvoor ieder van ons zich moet inzetten. Ik zou hierbij alle mensen willen aanmoedigen die dag na dag in de weer zijn om ongeneeslijk en terminaal zieken en hun familie de gepaste en toegewijde hulp bieden.

    De Kerk volgt het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan en heeft altijd blijk gegeven van een bijzondere toewijding voor de zieken. Dankzij haar leden en haar instellingen blijft ze de zieken en lijdenden ter zijde staan, probeert ze hun waardigheid te bewaren op deze belangrijke momenten van hun menselijke bestaan. Veel van deze mensen, gezondheidswerkers, pastorale werkers en vrijwilligers en de instellingen overal ter wereld staan onvermoeibaar ten dienste van de zieken in ziekenhuizen en centra voor palliatieve zorgen, in de straten van de stad, in de sector van de thuiszorg en in de parochies.

    Ik richt me tot u, broeders en zusters, die lijden aan een ongeneeslijke en terminale ziekte. Ik moedig u aan om een voorbeeld te nemen aan het lijden van de gekruisigde Heer en om u, samen met hem, tot de Vader te richten met een onwankelbaar vertrouwen in het feit dat het hele leven, en het uwe in het bijzonder, in Zijn handen ligt. Weet dat uw lijden, en dat van Christus, niet voor niets is in de Kerk en de wereld. Ik vraag de Heer om uw geloof in Zijn liefde te versterken, zeker tijdens de beproevingen waarmee u geconfronteerd wordt. Ik hoop dat u, waar u ook bent, steeds de nodige moed en spirituele kracht vindt om uw geloof te voeden en u dichter te brengen bij de Vader van het leven. Via uw pastoors en hun medewerkers wil de Kerk u helpen en aan uw zijde staan, u bijstaan op momenten van nood, de wakende genade van Christus brengen naar de mensen die lijden.

    Ten slotte vraag ik de kerkgemeenschappen overal ter wereld, en in het bijzonder die die hun leven ten dienste stellen van de zieken, om door te zetten en met de hulp van Maria, Salus infirmorum, te getuigen van de liefdevolle zorg van God, onze Vader. Moge de Maagd Maria, onze moeder, al wie ziek is, troosten en al wie als barmhartige Samaritaan zijn leven wijdt aan de verzorging van de fysische en spirituele wonden van zij die lijden, steunen. Ik ben verbonden met u in gedachte en gebed en geef u de apostolische zegen als bewijs van kracht en vrede van de Heer.
Vaticaan, 8 december 2006.

Benedictus XVI

ZALIG DE ZIEKEN (Lc 6, 17.20-26)

Walter Covens #Homilieën in het Nederlands
    Ter gelegenheid van Wereldziekendag, vandaag op 11 februari, de dag van het feest van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, ontvangen een dertigtal zieken van onze parochie de Ziekenzalving.

    Het is goed dat we vandaag niet enkel bidden met en voor de zieken en bijzondere aandacht aan hen besteden, maar dat we ook even nadenken over ziekte. Ziekte maakt, net als de dood, deel uit van ons menselijke bestaan. Wie onder ons wordt, vroeg of laat, niet geconfronteerd met ziekte, bij een van zijn naasten maar ook in zijn eigen lichaam, in zijn eigen ziel. Ziekte is een gevolg van de erfzonde van onze eerste voorouders. Maar het is ook, dankzij de barmhartigheid van de Heer, een remedie, een geluk, een zaligheid!

    We luisterden naar het Evangelie van de Zaligsprekingen volgens Lucas. Jezus zei niet letterlijk : "Zalig zij de zieken". Maar hij had het kunnen zeggen. Er zijn trouwens in de Geschriften heel wat andere zaligsprekingen dan die die werden opgesomd (cf. Eerste lezing.). Mattheüs noemt er negen, Lucas heeft het maar over vier.

    Wat maakt nu eigenlijk de zaligheid uit van de zieken ? Eerst moet ik voor deze zaligheid wijzen op wat geldt voor alle zaligheden in het evangelie: het is niet de ziekte zelf die een geluk is, het is het "gebruik" dat men ervan maakt. St. Vincentius van Paulus zei:
We moeten toegeven dat ziekte betreurenswaardig is, bijna ondraaglijk van aard ; en toch is het een van de krachtigste middelen waarvan God zich bedient om ons op onze plichten te wijzen, om ons los te maken van de erfzonde en om ons te vervullen met zijn giften en graties. (...) Mooie zienswijze, mijne heren, mooie zienswijze ! Als God ons deze gratie bood, wat zouden we dan gelukkig zijn! (...) De staat ontvluchten waarin het God behaagt om ons te stellen, dat is zijn geluk ontvluchten. Ja, het lijden is een staat van geluk, en verheerlijkt de ziel.

    Blaise Pascal schreef een Gebed om God te vragen naar de juiste manier om met ziekte om te gaan. Hij schreef:
Ja, Heer, tot op heden was ik doof voor uw bezieling ; ik misprees al uw orakels ; ik oordeelde het tegenovergestelde van wat u oordeelde ; ik sprak de heilige beginselen tegen die u van uw Eeuwige Vader in de wereld heeft gebracht en volgens dewelke u de wereld beoordeelt. U zegt: “Zalig zijn zij die wenen en ongelukkig zijn zij die worden getroost." En ik zei: "Ongelukkig zijn zij die kreunen en zalig zijn zij die worden getroost." Ik zei: "Zalig zijn zij wie een gelukkig lot is beschoren, een gelukzalige naam en een goede gezondheid." En waarom vond ik ze gelukkig, behalve omdat al deze voordelen hen een gemak verschafte om van de scheppingen te genieten, dus om u te beledigen? Ja, Heer, ik geef toe dat ik de gezondheid voor goed achtte ; niet omdat ze een gemakkelijke manier is om u te dienen, om meer zorg en waakzaamheid ter uwer dienste te gebruiken, en om mijn naaste bij te staan; maar omdat ik me dankzij haar met minder terughoudendheid kon storten in de geneugten van het leven, en er de verderfelijke genoegens beter van kon smaken. Geef mij de kracht, Heer, om mijn verdraaide zienswijze te hervormen en mijn gevoelens op de uwe af te stemmen. Dat ik me gelukkig acht in smart en dat in het onvermogen anders te handelen, u mijn gevoelens dermate zuivert dat ze niet meer in strijd zijn met de uwe ; en dat ik u zo in mezelf vind, aangezien ik u omwille van mijn zwakte niet buiten mezelf kan zoeken. Want, Heer, uw Koninkrijk ligt in uw volgelingen; en ik zal het vinden in mezelf als ik er ook uw Geest en uw gevoelens vind.

    Als er een manier bestaat om goed met ziekte om te gaan, dan is er ook een manier om slecht met gezondheid om te gaan. Er zijn mensen die in goede gezondheid zijn en die « ongelukkig » zijn en er zijn mensen die ziek zijn en die « gelukkig » zijn. Dat wordt duidelijk in de ervaring die we iedere dag zelf opdoen.

    Volgens een recente studie passen de mensen die ernstig ziek zijn, zich emotioneel aan en zijn ze vaak in een even goed humeur als mensen die gezond zijn. Deze resultaten, die werden gepubliceerd in het Journal of Experimental Psychology, bevestigen nog maar eens de resultaten van een groeiende reeks psychologische onderzoeken die aantonen dat personen die ziek of gehandicapt zijn zich aan hun toestand aanpassen en blijk geven van een slagkracht waarvan gezonde mensen geen idee hebben. In dit onderzoek werd aan 49 dialysepatiënten en aan 49 gezonde mensen van dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht, dezelfde afkomst en dezelfde opvoeding als de zieken gevraagd om met behulp van een "personal digital assistant" (een PDA of een palm-computer) gedurende één week hun humeur op te tekenen. De zieken ondergingen allemaal al gedurende ten minste drie maanden een dialyse, waarvoor ze drie keer of meer per week gedurende verschillende uren naar een dialysecentrum moesten. De PDA’s waren zo geprogrammeerd dat ze willekeurig in een periode van twee uren tijdens de week zouden rinkelen. Ze vroegen de deelnemers dan om op dat precieze moment hun humeur op te tekenen door een snelle reeks evaluaties in te vullen.
    Deze momentopnames toonden aan dat de patiënten het grootste deel van de tijd in een goede bui waren en dat hun humeur niet wezenlijk slechter is dan dat van de gezonde deelnemers. Er was geen verschil in de evaluatie per uur van het algemene humeur en het specifieke humeur op de momentopnames (gedeprimeerd, vrolijk, bezorgd of angstig). Zelfs vragen over de pijn, de vermoeidheid en de globale tevredenheid in het leven brachten geen noemenswaardige verschillen aan het licht.
    Mensen die er nooit mee te maken kregen, beelden zich in dat tegenslagen, zoals een ernstige ziekte, het geluk verstoren, terwijl dat in realiteit hoogstwaarschijnlijk niet het geval is. De onderzoekers vroegen de gezonde deelnemers ook om zich eens in te beelden dat ze zelf dialyses zouden moeten ondergaan en om een schatting te geven van het percentage van de tijd waarin ze dan verschillende positieve en negatieve stemmingswisselingen zouden voelen. De gezonde deelnemers dachten dat de zieken meestal in een slecht humeur waren. De zieken zelf leken hun aanpassingsvermogen te onderschatten. Toen ze werden gevraagd om een schatting te geven van hun humeur als ze gezond zouden zijn, dachten ze dat ze in een veel beter humeur zouden zijn dan dat de mensen die ook écht gezond zijn, waren.
    Dat wil niet zeggen dat een ernstig gezondheidsprobleem het leven en de zienswijze niet verandert. Dat wil evenmin zeggen dat een dergelijke verandering niet gepaard gaat met periodes vol frustratie en moeilijkheden, met depressies en gevolgen voor de sociale en economische toestand. Maar de resultaten van dit onderzoek en van vele andere onderzoeken suggereren dat mensen die te maken kregen met dergelijke veranderingen, in staat zijn om hun instelling ten opzichte van hun nieuwe leven te wijzigen.

    Het geluk hangt dus niet af van gezondheid of ziekte. Het geluk hangt af van de persoon zelf, of die nu ziek of gezond is. Het belangrijkste is om te vertrouwen op de Heer. Zuster Elisabeth van de Heilige Drievuldigheid schreef :
In deze zuivering is de essentie om nooit het vertrouwen te verliezen en steeds te blijven geloven in de liefde... Geloof altijd in de liefde, als je lijdt, is dat omdat je nog meer wordt geliefd, heb lief en bezing de genade. Er is een liefde die enkel op het kruis wordt uitgewisseld.

    De Catechismus van de Katholieke Kerk (n. 1501) leert ons dat :
Ziekte kan leiden tot angst, tot in zichzelf keren, zelfs tot wanhoop en opstand tegen God. Ze kan een persoon ook rijper maken, helpen te onderscheiden wat in het leven niet essentieel is en zich te richten tot wat dat wel is. Erg vaak leidt ziekte tot een zoektocht naar God, een terugkeer naar Hem.

    En daarin ligt de genade van de Ziekenzalving, waarvan de effecten zijn:
- eenheid van de zieke met het Lijden van Christus, voor zijn welzijn en dat van de hele Kerk;
- troost, vrede en moed om het lijden van de ziekte of de ouderdom christelijk te dragen;
- vergeving van de zonden als de zieke die niet heeft kunnen krijgen door het Sacrament van de Boetvaardigheid;
- herstelling van de gezondheid, als dat overeenkomt met het spirituele welzijn;
- voorbereiding op de overgang naar het eeuwige leven. (zie: CEC 15020-1523.1532)

    Als u de Ziekenzalving ontvangt, kan ik u niet zeggen of u zult genezen of niet. Maar ik kan u verzekeren dat als u uw hart openstelt voor het geloof, de Heer u vrede zal geven. Het essentiële is dat u vertrouwt op wat de Heer het beste voor u vindt. Ik zeg u wat Frère André de Mont Royal tot de zieken zei die naar aan St-Jozef gewijde heiligdom waren gekomen om zich te laten genezen:
Als uw genezing weldadig is voor uw ziel, dan zult u genezen. Maar ongelukkig zijn zij die geen gezonde ziel hebben. Bepaalde onder u begrijpen dat ze gekozen zijn door Christus om de zielen van hun broeders te redden. Wees vrijgevig, lijdende harten ! Draag uw kruis en de wereld zal worden gered. Wanneer u alleen bent in uw ziekenkamer, denk dan aan uw opperste rol als helper van Christus. Sla uw ogen op naar de hemel. Zeg St-Jozef: "Grote Heilige, ik ben zo arm, zo ziek, geef me de genade om me te schikken naar de goddelijke wil." Vrede in uw hart en een stralende gezondheid in uw ziel zullen uw deel zijn; u zult gelukkig zijn. Christelijke zieken moeten de verlossers zijn van hun broeders die van mening zijn dat de beproevingen het resultaat zijn van fouten, een gezamenlijke val. Zieken, wees andere christenen en u zult de wereld redden. U hebt St-Jozef lief, ga naar hem vol vertrouwen, om te genezen, zeker, maar vooral om verlicht te worden door hem uw ellende te geven voor de bekering van zij die ongelukkiger zijn dan u, van hen die God niet kennen. De logische houding van iemand die geen geloof heeft voor het lijden, is wanhoop en pessimisme. Maar wij, gelovigen, zijn gelukkig en zullen door onze beproevingen herstellen, wij aanvaarden zonder morren het kruis dat ons werd gegeven.

    Frère André verzekerde ons dat "het oratorium van Montréal getuigt van veel meer bekeringen van harten dan van genezingen van het lichaam".

    Dat is ook het geval in Lourdes. Bernadette zelf had tijdens haar laatste levensjaren wonden over haar hele lichaam, zo erg dat ze niet meer in bed kon liggen en enkel op een stoel kon rechtop zitten. Ze droeg dit lijden zonder te klagen. Op een dag dat ze bezoek kreeg, vroeg iemand haar: "Wat doet u daar, kleine luiaard?". En zij antwoordde: - "Ik doe mijn werk." - "Welk werk?" - "Ziek zijn. Ik moet het slachtoffer zijn voor de verlossing van de wereld."

    In haar gebed zei ze:
Voor dit erbarmelijke lichaam dat u me gegeven heeft, voor deze ziekte die nooit geneest, voor mijn broze botten, mijn zweetaanvallen, mijn koorts, mijn doffe of scherpe pijnscheuten, dank u mijn God.

    Ten slotte wil ik al wie gezond is maar bij het horen van mijn woorden bang is om ziek te worden, wijzen op wat Van zei, de jonge Viëtnamees die in de leer was gegaan van Thérèse van Lisieux:
Het is gemakkelijker om te lijden dan om te denken dat men zal moeten lijden.

    Het is gemakkelijker omdat men enkel wanneer men lijdt, beschikt over de genade om te lijden. En de beste manier om te leren om goed om te gaan met ziekte, is goed om te gaan met de gezondheid die men heeft, zolang men ze heeft, door z’n gezondheid ten dienste te stellen van God en zijn naasten, met name van wie ziek is. Zo is het geluk voor ieder van ons! Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, bid voor ons.
RSS Contact